Blijf op de hoogte

Vul onderstaand formulier in om je in te schrijven voor de nieuwsbrief.

Maartje Kemme: ‘Maak van de overheid weer een Grote Vriendelijke Reus’

Maartje Kemme: ‘Maak van de overheid weer een Grote Vriendelijke Reus’

Tekst Cyrine Beune

Maartje checkt nog even haar telefoon voor het interview begint. Haar dochter bericht haar, ze heeft vandaag haar eerste stagedag als verpleegkundige. Vertederd kijkt ze naar het bericht, haar dochter vindt het spannend. Ze typt: ‘Ik heb een interview, bel je over drie kwartier.’

Nog niet zo lang geleden raakte Maartje Kemme klem in de raderen van de overheid. Dezelfde overheid waar ze destijds werkte. Nu kennen we die problemen als het toeslagenschandaal. Aan de ene kant kende Kemme de wereld van formele regels en procedures die nodig zijn om eerlijk en effectief te werken, aan de andere kant ervaarde ze als burger de onbedoelde gevolgen.

Door die ervaring ziet Kemme waar er behoefte aan is bij de overheid: tussenruimte om buiten de standaard procedures om naar de ‘professionele buikpijn’ te luisteren en te handelen. In haar boek Tussenruimte geeft ze professionals en organisaties praktische handvatten om die ruimte te creëren.

Je begint je boek met ‘de casus: Maartje’. Waarom wilde je, naast verhalen van andere gedupeerden, je eigen verhaal ook vertellen?

In mijn boek wilde ik het niet alleen maar over anderen hebben. Mijn ervaring is mijn grootste leerschool geweest. Ondanks dat ik bij de overheid werkte en een prima professional was, lukte het me niet een route te vinden uit het doolhof. Dat is belangrijk voor andere professionals om te beseffen. Bij de overheid heerst er soms een gekke scheidslijn tussen ‘wij de overheid’ en ‘de burgers’. Terwijl iedereen die daar werkt óók burger is.

Ik zag soms dat gedupeerden bij belangrijke gesprekken mochten zijn. Dan zeiden medewerkers dat die mensen het beleid wel een beetje moesten begrijpen, anders werd het zo’n ‘ingewikkeld gesprek’. Daar werd ik natuurlijk erg chagrijnig van. Maar het heeft mij ook veel geleerd over hoe perspectieven uiteenlopen en hoe ze elkaar dus niet raken. We hebben allemaal dezelfde intentie, het oplossen, maar als je in zulke verschillende werelden leeft lukt dat niet goed. Ik stond er midden in. Dat was natuurlijk een fantastische, unieke situatie.

Vertelde je je collega’s wat er speelde?

Daar was ik voorzichtig mee, ik vertelde het niet aan iedereen. Ik wilde gezien blijven worden als professional. Door met mijn casus te beginnen wil ik ook duidelijk maken: dit kan ons allemaal overkomen.

Je boek heet Tussenruimte, overigens met mooie vormgeving. Wat is tussenruimte eigenlijk?

Gisteren kwam een vriend die het boek las langs. Hij zei het goed: het beschrijft precies dat wat we eigenlijk wel voelen, maar niet begrijpen.

Wanneer dingen ingewikkeld worden, moeten we stilstaan en reflecteren. Dat is wat tussenruimte betekent. Niet doorgaan en je ‘professionele buikpijn’ negeren, maar ademhalen, luisteren naar dat gevoel en ruimte maken om, meestal met anderen, te bedenken wat het juiste is om te doen.

En juist daaraan is tegenwoordig in het publieke domein een gebrek. Processen zijn zo ingericht dat ze goed om kunnen gaan met ‘de bulk’, tachtig procent van het werk. Daar vallen dus de meeste zaken onder, maar een heleboel ook niet.

Dan zeggen we dat mensen complexe problemen hebben, terwijl ze vaak betrekkelijk eenvoudige vragen hebben. Ze hebben bijvoorbeeld een woning nodig, of zoeken werk. Alleen past die vraag niet zo gemakkelijk in een hokje en wordt het complex. Mijn boek is een appèl om juist wanneer dingen ingewikkeld worden even stil te staan.

Hoe ziet tussenruimte er in de praktijk uit?

Toen ik bij het UWV werkte ontdekten collega’s en ik dat veel medewerkers met dezelfde problemen worstelen, maar dat niet van elkaar weten. Later zagen we dat bij andere organisaties dezelfde problemen speelden en dat ze soms oplossingen hadden voor problemen die we binnen het UWV tegenkwamen. De vraag was: hoe brengen we deze mensen bij elkaar? Dat is de maatwerkplaats geworden.

Maatwerkplaatsen zijn plekken waar professionals samen hun professionele buikpijn of lastige vraagstukken bespreken. Daar leren ze langs bepaalde werkwijzen op een andere manier oplossingen te vinden. Je lost daarmee niet alleen het vraagstuk samen op, maar leert ook van elkaar én van de casus. Zo los je een soortgelijk probleem sneller op. Hiermee leer je als organisatie en beperk je de maatschappelijke schade.

Door te delen voelen mensen zich niet alleen gesteund, maar komen er ook oplossingen boven drijven. Het lijkt misschien niet efficiënt om even stil te staan, sommige mensen beginnen met frisse tegenzin aan die twee uur, maar als je tussenruimte vroegtijdig inzet leer je als organisatie en beperk je de maatschappelijke schade.

In je boek beschrijf je dat tussenruimte expliciet niet buiten het werk, als ‘buitenboordmotor’, in een organisatie hoort, maar tijdens. Waarom is dit belangrijk?

De afgelopen jaren zag ik vaak dat organisaties externe hulp inroepen om aan complexe vraagstukken te werken. Naderhand was de expert en dus ook de kennis weer weg en had de organisatie niets opgestoken. Dan denk ik, dat moeten we toch zelf kunnen?

De overheid moet onze grootste vriend worden als het moeilijk wordt, niet onze vijand

Als overheid ben je er juist voor de complexiteit in de maatschappij. Uiteindelijk werken we toe naar een lerende overheid. Eentje die niet naast de wereld werkt, maar echt aansluit op de maatschappij. De overheid moet onze grootste vriend worden als het moeilijk wordt, niet onze vijand. Of hoe ik het ook in het boek zeg: een GVR, een Grote Vriendelijke Reus.

Toch voelen veel mensen dat niet zo. Snap je dat?

Ja, dat begrijp ik wel. Als mensen horen dat ik bij de overheid werk, zeggen ze vaak: bah, dat moet wel een heel stomme baan zijn. Dan denk ik, auw, want we doen ook heel veel goed. Maar sommige gedupeerden zijn erg beschadigd door de hele manier waarop dingen zijn gegaan. Op enig moment wordt dat erkend, maar dan hebben ze vaak al heel lang staan roepen. Dat doet iets met mensen. Ik denk dat als je zo lang in de shit hebt gezeten, je in de overlevingsstand blijft hangen.

Ik heb het zelf ook, als er een blauwe brief door de brievenbus glijdt, schrik ik nog altijd. Ik noem het een post-traumatische toeslagensyndroom. En dan is de vraag: ga je dit als overheid ooit herstellen? Ik denk het eigenlijk niet. Ik denk dat we een grote groep mensen verloren hebben, door de manier waarop we dit hebben aangepakt als overheid. Maar ik denk wel dat we kunnen werken aan het herstellen van het vertrouwen en die GVR kunnen worden, zodat de pijn kan helen.

Werken aan het herstellen van het vertrouwen in die overheids-GVR. Een flink streven. Stel je bent minister-president, wat zou je veranderen zodat de overheid meer op de GVR gaat lijken?

Ik zou in elk geval bij het ontwerpen en uitwerken van beleid de burger altijd aan tafel willen hebben. Als gelijkwaardige gesprekspartner. En ik wil dat sociale zekerheden een overkoepelende begroting krijgen.

We weten bijvoorbeeld dat als iemand in de schulden terechtkomt, de zorgkosten ook enorm gaan stijgen. En ook dat mensen in de financiële problemen niet zo snel zullen kiezen voor duurzaamheidsinvesteringen. Het haakt allemaal in elkaar. Dan is het toch gek dat ieder domein strikt binnen een eigen begroting moet blijven? Die zaken staan niet los van elkaar.

Ik zou dus zorgen voor een gezamenlijk begroting. Zodat je met elkaar aan oplossingen kunt werken in plaats van proberen het op een bordje van een ander te schuiven. Maar ik denk niet dat ik premier zou willen zijn; ik werk liever in de tussenruimte.

Tussenruimte is vanaf nu te koop, o.a. via managementboek.nl.